Geschiedenis

Het ontstaan van capoeira

Capoeira heeft gemengde wortels, waarvan de sterkste in Afrikaanse grond grijpen. De Portugese kolonisten in Brazilië wilden de bewoners, de indiaanse stammen, als slaven laten werken op suiker- en cacaoplantages. Maar zij verzetten zich en werden getroffen door Europese ziektes als de griep. De kolonisten losten dit arbeidsprobleem op door Afrikaanse slaven uit West-Afrika en Angola te importeren. Ze werden als handelswaar verkocht op markten, voornamelijk in Noord-Oost Brazilië. Van de zestiende tot de negentiende eeuw werden vijf miljoen slaven uit West-Afrika gedeporteerd naar Brazilië. Tot 1888 werden zij tewerkgesteld op Braziliaanse suikerriet- en cacaoplantages.

Toen de Afrikanen aankwamen in Brazilië, realiseerden zij zich dat er een vorm van bescherming nodig was tegen het geweld en onderdrukking van de Portugese kolonisten. Omdat ze constant doelwit waren van geweld en opgelegde straffen door hun eigenaars. Als ze weg van de boerderijen vluchtten, werden zij vervolgd door de “Capião do mato”, een toezichthouder die op een zeer gewelddadige manier de slaven ving en terug bracht naar hun eigenaar.
De slaven eigenaars hadden elke vorm van gevecht beoefening door de slaven verboden. Toen bedachten zij om aan het vechten dans en ritme toe te voegen.
Zo ontstond capoeira, een vechtkunst verkapt in dans.
De oefening van capoeira was belangrijk voor de culturele en fysieke weerstand van de slaven.